Financiering Wmo
22 augustus 2024Financiering Wmo
Sinds de invoering van de Wmo zijn gemeenten verantwoordelijk voor maatschappelijke ondersteuning. Onder maatschappelijke ondersteuning vallen activiteiten die zorgen dat mensen kunnen meedoen in de samenleving. Sinds 1 januari 2015 is de Wmo 2015 in werking getreden. Hiermee hebben de gemeenten meer verantwoordelijkheden gekregen om ervoor te zorgen dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Ook de jeugdzorg valt sinds 1 januari 2015 onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Voorbeelden van hulp en voorzieningen die onder de Wmo vallen zijn:
- hulp bij het huishouden, zoals opruimen, schoonmaken en ramen zemen;
- aanpassingen in de woning zoals een traplift of een verhoogd toilet;
- vervoersvoorzieningen in de regio voor mensen die slecht ter been zijn en niet met het openbaar vervoer kunnen reizen (bijvoorbeeld de taxibus of een scootmobiel);
- ondersteuning aan vrijwilligers en mantelzorgers;
- hulp bij het opvoeden van kinderen;
- rolstoel;
- maaltijdverzorging; (echter overwegend verwezen naar voorliggende voorziening zoals maaltijdservice)
- sociaal cultureel werk, zoals buurthuizen en subsidies aan verenigingen;
- maatschappelijke opvang, zoals blijf-van-mijn-lijfhuizen en daklozenopvang;
- dagbesteding met vervoer voor bijvoorbeeld ouderen die dit moeilijk zelfstandig kunnen organiseren;
- individuele begeleiding;
- persoonlijke verzorging in combinatie met begeleiding (niet lijfsgebonden);
- Jeugdzorg
Het ministerie van VWS geeft in de wet het kader van de Wmo aan. Binnen dit kader kan elke gemeente haar eigen beleid maken. Een beleid dat afgestemd is op de wensen en behoeften van de inwoners. Hierdoor kan het Wmo beleid erg verschillen per gemeente.
De zorgaanbieder dient voor het leveren van Wmo zorg en ondersteuning een contract af te sluiten met de desbetreffende gemeente(n).
Gemeenten
Vanuit de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning en behoud van zelfredzaamheid van burgers in die gemeenten. Gemeenten dienen per cliënt te zoeken naar een maatwerkvoorziening aanvullend op wat een cliënt of diens omgeving nog zelf kan. Op basis hiervan zullen gemeenten beslissen welke diensten en voorzieningen in het kader van de Wmo worden aangeboden en wie die diensten en voorzieningen zullen leveren. Bij dergelijke beslissingen is de gemeente gehouden aan de wet- en regelgeving rond subsidiëring, inkoop en aanbesteding.
De gemeenten maken gebruik van verschillende inkoopmodellen.
Voorbeelden:
Klassiek model: De hoofdlijnen van dit model zijn: formuleren van een opdracht (programma van eisen), bekend maken van de opdracht, inrichten van het aanbestedingsproces, beoordeling en gunning. Dit hele proces duurt ongeveer een half jaar. Nadelen van dit model zijn de afstand en het wantrouwen tussen gemeenten en instellingen. Daarnaast is deze wijze van aanbesteding vooral geschikt voor routinematige activiteiten en biedt dit weinig ruimte voor innovatie.
Zeeuws model: Er wordt een prijs en een kwaliteitseis vastgesteld waar aanbieders minimaal aan moeten voldoen. Alle aanbieders die voldoen aan de gestelde eisen worden gecontracteerd. Deze manier van aanbesteden is geschikt voor het selecteren van een onbeperkt aantal aanbieders. Het zorgt voor veel keuzevrijheid voor de cliënt en er is voor aanbieders een prikkel om na de gunning scherp te blijven op bijvoorbeeld kwaliteit omdat er veel concurrentie is van andere aanbieders.
Catalogusmodel: Variant van Zeeuws model. Gemeente gunt in principe alle aanbieders die voldoen aan de minimum kwaliteitseisen. Gemeente stelt ranglijst op van deze aanbieders. Cliënten die zelf geen keuze maken worden door gemeente o.b.v. ranglijst toegewezen.
Bestuurlijk aanbesteden: Bij deze vorm van aanbesteden is er meer samenwerking en afstemming tussen gemeenten en aanbieders. Op basis van een conceptovereenkomst wordt er onderhandeld over de eisen en wensen van de gemeente. Aanbieders geven hierbij inzicht in de mogelijkheden die de markt te bieden heeft. Nadeel van deze manier is dat de visie en belangen van de gevestigde instellingen gaan overheersen en alleen met die partijen nog afspraken worden gemaakt.
Dialoogmodel: Gemeente en aanbieders ontwikkelen samen de voorwaarden. Vervolgens vindt er een selectie plaats van een beperkt aantal aanbieders. De nadruk ligt bij deze vorm van aanbesteden vooral op kwaliteit en samenwerking en is hierdoor geschikt voor complexe opdrachten.
1 op 1 contract: Gemeente stelt de hoofdlijnen van het programma van eisen op. Dit wordt besproken met aanbieders die werkzaam zijn op het zorgterrein dat de gemeente wenst in te kopen. Aanbieders brengen voorstel uit, deze wordt getoetst aan de eisen van de gemeente en er wordt één aanbieder gekozen voor verschillende vormen van ondersteuning.
Open house: Open House is geen (wettelijk voorgeschreven) aanbestedingsprocedure. Het is een wijze van contracteren die onder bepaalde voorwaarden niet kwalificeert als overheidsopdracht in de zin van de aanbestedingsregelgeving. Toelating vindt plaats door een vooraf bekendgemaakte toelatingsprocedure. Een gemeente stelt binnen een Open House slechts geschiktheidseisen en/of minimumeisen. Denkt daarbij bijvoorbeeld aan de prijs, opleidingseisen en certificering. Vervolgens kunnen aanbieders in beginsel gedurende de hele looptijd van het systeem toetreden en hun diensten aanbieden. De cliënten kunnen zelf kiezen uit de door de gemeente toegelaten aanbieders.
Het Utrechtse model; Gemeente contracteert 4 of 5 systeemaanbieders, ieder voor een doelgroep of ondersteuningsvorm (bijvoorbeeld één aanbieder voor alle kwetsbare ouderen of voor alle begeleidingsvragen). Systeemaanbieder is zelf vaak ook betrokken bij de toegang tot de Wmo, dus bij de hulpvraagverduidelijking/het keukentafelgesprek bijvoorbeeld. De gecontracteerde systeemaanbieders hebben onderaannemers met diverse expertise die samen een netwerk vormen om de best passende zorg te kunnen bieden.
Subsidie: Aanbieders krijgen een subsidie op basis van uit te voeren activiteiten. Hierbij wordt een uitvoeringsovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de aanbieder. Prijssturing is hierbij niet van toepassing.
Belangrijk is om na te gaan welk inkoopmodel de gemeente hanteert waar je als aanbieder zorg wilt gaan leveren.
In de bestekken van gemeenten worden kwaliteitseisen vastgelegd. Deze kunnen per gemeente verschillen. Enkele voorbeelden:
Algemeen
- Verklaring griffier van de rechtbank; geen surseance betaling / faillissement
- Verklaring belastingdienst inzake betaling van de sociale verzekeringsbijdrage en belastingen
- Verklaring omtrent gedrag (natuurlijk persoon/rechtspersoon)
- Verklaring accountant administratieve organisatie op orde
- Kamer van Koophandel uittreksel
- Bankverklaring en bankgarantie
- Door accountant goedgekeurde balans en resultatenrekening
- Accountantsverklaring; inclusief verklaring toepassen CAO VVT en opleidingseisen, eventueel besteding bonus
- Verklaring wanneer bedrijf is opgericht (startende organisatie)
- Aansprakelijkheidsverzekering, kopie polis/bewijs premie betaling
- Referenties + tevredenheidsverklaring
- Kopie geldig kwaliteitscertificaat
- Kopie laatst uitgevoerde audit
- Verklaring moeder/holding maatschappij bij beroep op financiële/economische draagkracht en/of beroeps/technische bekwaamheid
- Medezeggenschapsreglement en verslagen cliëntenraad
- Klachtenreglement
- Privacyreglement
- Aanleveren managementinformatie (cliëntaantallen/doorlooptijden/klachten/signalen)
- Deskundigheidssysteem medewerkers
- Social return / contract compliance ; plan van aanpak en verantwoording
Zorginhoudelijk
- Infectie preventie protocol
- Spoedprocedure
- Zorgbeëindigingsprotocol
- Zorgdossier
- Cliënttevredenheidsonderzoek
Veel gemeenten doen een uitvraag op basis van onderstaande kwaliteitscriteria:
- Veiligheid
- Doelmatigheid
- Doeltreffendheid
- Cliëntgerichtheid
- Leefklimaat
- Tijdigheid
Zorgthuisnl heeft een handreiking geschreven over aanbesteden in het sociaal domein. Hier staan handige tips in om u voor te bereiden op een aanbesteding bij een gemeente.