Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)
07 juli 2024Voor wie is deze wet bestemd
Deze wet is van toepassing op thuiszorgorganisaties.
Inleiding
De Wmo 2015 is in de zomer van 2014 aangenomen en geldt sinds 1 januari 2015. De voormalige functie begeleiding uit de AWBZ is ondergebracht in deze nieuwe Wmo; huishoudelijke verzorging viel al onder de oude Wmo.
De gemeenten voeren de Wmo uit. Zij hebben veel beleidsvrijheid bij de uitvoering ervan, waardoor er per gemeente verschillen zijn.
Het doel van deze wet
De Wmo 2015 geeft gemeenten de opdracht zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Doel is bevordering van zelfredzaamheid en participatie van burgers.
Inhoud en toepassing van de wet
De gemeentelijke taak is omschreven in artikel 2.1.1 van de wet:
- Het gemeentebestuur draagt zorg voor de maatschappelijke ondersteuning.
Het gemeentebestuur draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen.
De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid. Het plan beschrijft besluiten of te verrichten handelingen die gericht zijn op: het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, - ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
- bieden van beschermd wonen en opvang;
De regering heeft ervoor gekozen om de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg en de Wmcz (medezeggenschap) niet van toepassing te doen zijn op de maatschappelijke ondersteuning in het kader van de Wmo 2015. Het toezicht door de IGJ is beperkt tot het meldpunt Veilig Thuis (kindermishandeling en huiselijk geweld). De gemeente moet zelf toezichthouders aanstellen (art. 6.1).
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een algemene voorziening (bijv. een buurthuis) en een maatwerkvoorziening (toegesneden op een cliënt).
De Wmo 2015 kent een eigen kwaliteitsparagraaf, weergegeven in art. 3.1.
- De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is.
- Een voorziening wordt in elk geval:
veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt,
b. afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,
c. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;
d. verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.
Afhankelijk van de soort voorziening zal de gemeente bepalen of de aanbieder een klachtenregeling en een regeling voor medezeggenschap van cliënten moet hebben. Een regeling voor huiselijk geweld/kindermishandeling (meldcode; art. 3.3) is verplicht.
AMvB Reële prijs Wmo 2015
Op grond van art. 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 moeten gemeenten bij verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening. Daarbij moet rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Gemeenten moeten een inschatting maken van een reële kostprijs, waarbij de aanbieder personeel kan inzetten tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Er is een Algemene Maatregel van Bestuur gepubliceerd die hierover nadere regels stelt. Op 1 juni 2017 is deze Algemene Maatregel van Bestuur ‘Reële Prijs’ in werking getreden.
Kern van de AMvB:
- De gemeenteraad legt in ieder geval in de verordening vast dat het college een reële prijs vaststelt voor Wmo-diensten die door derden worden geleverd en dat deze prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving in de aanbestedingsprocedure en bij de overeenkomst met een derde;
- Het college stelt een reële prijs vast overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst;
- De reële prijs is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:
Kosten van de beroepskracht;
b. Redelijke overheadkosten;
c. Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
d. Reis- en opleidingskosten;
e. Indexatie van loon binnen een overeenkomst;
f. Kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. - Het college heeft (ook) de mogelijkheid geen reële prijs vast te stellen en geen reële prijs als ondergrens te hanteren. Het college moet in dat geval de eis stellen aan inschrijvende partijen om een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op de kwaliteit van de betreffende voorziening en de kostprijselementen.
Verschillende factoren zoals het terugbrengen van kosten van administratieve lasten of toepassen van innovatie in de organisatie, hebben invloed op de kostprijselementen en deze factoren veranderen ook in de tijd. De AMvB regelt daarom geen vaste prijs of minimumprijs die voor alle gemeenten gelijk moet zijn (tariefregulering). De rijksoverheid biedt geen normering van de reële prijs (dat is aan het college). Het besluit wijzigt de contractvrijheid van gemeenten daarmee niet.
Het Rijk kan bij AMvB nadere regels stellen omtrent de VOG voor werknemers van aanbieders (art.3.5 Wmo 2015).
Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor het (bovenlokaal) organiseren van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: Veilig Thuis.
Ook het vervoer van en naar dagbesteding is een verantwoordelijkheid van gemeenten geworden, evenals respijtzorg (o.a. kortdurend verblijf; zit ook in Zvw) en mantelzorgondersteuning. Voor een aantal landelijke voorziening zal de VNG centraal inkopen; dit gaat over bijv. de doventolk en enkele organisaties op het gebied van maatschappelijke opvang. Beschermd wonen (zzp GGZ C) is altijd een maatwerkvoorziening en wordt verzorgd door de 43 centrumgemeenten.
Voor maatwerkvoorzieningen geldt de landelijke eigenbijdrageregeling, uitgevoerd door het CAK.
Gemeenten werken samen in 46 Wmo-regio’s (zie ledensite)
Huishoudelijke hulp
Komt de burger in aanmerking voor hulp bij het huishouden, dan kan dat drie vormen aannemen: (1) voorziening in natura, (2) financiële vergoeding voor het inhuren van een huishoudelijke hulp, die valt onder artikel 5 van de Wet op de loonbelasting (alfahulp), of (3) persoonsgebonden budget.
Bij optie (2) is de cliënt de werkgever van de alfahulp. Dat betekent dat de cliënt zelf de regie moet kunnen en willen voeren. Alfahulp is beperkt tot maximaal 12 uur per week, verdeeld over drie dagen. Zorg in natura kan niet door een alfahulp worden geleverd, alfahulp is alleen mogelijk met een persoonsgebonden budget.
Het kabinet heeft in brieven rond de huishoudelijke hulp toeslag telkens aangegeven dat de inzet van alfahulpen beperkt moet worden.
Kwaliteit in de Wmo
Vanaf 2016 laten gemeenten jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek uitvoeren (art. 2.5.1). De uitkomsten van het CEO geven een beeld van de door cliënten ervaren kwaliteit van hulp en ondersteuning vanuit Wmo en Jeugdhulp. Het is dus een belangrijk instrument in de monitoring van de resultaten van de transities.
Gevolgen van de Wmo voor Zorgthuisnl leden
In de Wmo 2015 is een overlegverplichting (overname van personeel) opgenomen als een opdracht tot het leveren van een maatwerkvoorziening van aanbieder wisselt. Dat overleg moet gaan over het overnemen van personeel (hulpverleners), o.a. met het oog op het voortzetten van de bestaande relaties tussen hulpverleners en cliënten(art. 2.6.5.).
In de Wmo 2015 is bepaald dat bij aanbestedingen de economisch meest voordelige inschrijving zal winnen en dat het college van B&W de opdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs mag gunnen. Er moet rekening gehouden worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden (art.2.6.4 t/m 2.6.6).
Met de inwerkingtreding van de hierboven genoemde AMvB zijn hier aanvullende regels voor geformuleerd, leidend tot wat een reële kostprijs wordt geacht te zijn.
Met de komst van de AMvB ‘Reële Prijs’ is er veel veranderd voor zorgaanbieders en gemeenten. Zorgaanbieders moeten met gemeenten waarmee zij na 1 juni 2017 een nieuw contract hebben afgesloten of een lopend contract hebben verlengd, tariefafspraken maken die conform de AMvB ‘Reële Prijs Wmo’ zijn. Voor gemeenten waarmee het contract is afgesloten voor 1 juni 2017 of de gemeenten die de aankondiging van het aanbestedingsproces hebben gedaan voor die datum, geldt de AMvB ‘Reële Prijs Wmo’ nog niet. Vanaf het moment dat de zorgaanbieder met de gemeente een nieuw contract afsluit of een lopend contract verlengt, moet deze gemeente ook voldoen aan de AMvB.
Aanbieders moeten iedere calamiteit en ieder geweldincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening zo snel mogelijk melden aan de toezichthoudend ambtenaar. Althans, dat is de opvatting van de VNG. Het is niet zeker dat elke gemeente een dergelijke bepaling heeft opgenomen in z´n verordening. Met de invoering van de Wmo in 2015 kunnen Wmo-berichten digitaal worden uitgewisseld met gemeenten. Om dit als (zorg)aanbieder te kunnen doen, heeft u een AGB-code nodig. Deze kunt u aanvragen bij Vektis. Hebt u al een AGB-code, dan dient u een erkenning Wmo erbij aan te vragen. Dat doet u via (Vektis en) VECOZO. In beide gevallen is de registratie ten behoeve van Wmo ook van belang voor uw aanmelding bij VECOZO (zie agbcode.nl en het stappenplan op de VECOZO site). Via het programma i-Wmo wordt nog steeds gewerkt aan gestandaardiseerde berichten voor administratieve processen. Voor de laatste informatie kijkt u op istandaarden.nl.
Juist omdat iedere gemeente een beleidsplan/verordening opstelt, is het belangrijk dat uzelf daarin bestudeert wat geschreven wordt over kwaliteitseisen, over de verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden, over de klachtafhandeling, over cliëntervaringen-onderzoek en over inspraak van de cliënt.
Wetswijziging resultaatgericht beschikken
Naar aanleiding van een aantal uitspraken van de CRvB over resultaatgericht beschikken, heeft de minister op 12 april 2019 de Tweede Kamer en gemeenten geïnformeerd over zijn voornemen de Wmo 2015 aan te passen, waarbij het resultaatgericht beschikken en het beschikken in uren een plek krijgen in de Wmo 2015. Doel hiervan is om met resultaatgericht beschikken de rechtszekerheid van de cliënt te kunnen waarborgen en voor aanbieders om maatwerk te kunnen blijven leveren.
Het wetsvoorstel is ter advies aan de Raad van State voorgelegd. De Raad van State heeft juni 2022 een kritisch advies uitgebracht. Het wetsvoorstel dient stevig te worden aangepast. Na installering van het huidige kabinet is er een nieuw weegmoment ontstaan. De staatssecretaris is voornemens in gezamenlijkheid met partijen te zoeken naar een passende oplossing. Zijn uitgangspunt is daarbij flexibiliteit in de uitvoering met behoud van rechtszekerheid voor de cliënt.
Zorgthuisnl neemt deel aan bijeenkomsten om tot een passende oplossing te komen.
Wetswijziging aanbestedingsprocedure Jeugdwet en Wmo
Op 15 november 2019 heeft minister De Jonge een brief gestuurd aan de Tweede Kamer met daarin een voorstel voor een wetswijziging van de Jeugdwet en Wmo 2015. De bedoeling is om een vereenvoudigde aanbestedingsprocedure vorm te geven voor de Jeugdwet- en Wmo 2015-diensten. Met dit nieuwe voorstel kunnen gemeenten zelf een aantal voorwaarden stellen en daarover met een klein aantal aanbieders in gesprek. Volgens de minister zorgt dit ervoor dat aanbieders beter kunnen samenwerken.
Concreet wordt de zogeheten “EMVI-verplichting” voor bepaalde soorten aanbestedingsprocedures geschrapt uit de Wmo en Jeugdwet. Het is dan niet meer verplicht in de Jeugdwet en Wmo om bij aanbestedingen te gunnen op basis van de zogenaamde ‘economisch meest voordelige inschrijving’. De Minister verwacht dat het schrappen van de EMVI-verplichting tot gevolg heeft dat gemeenten overheidsopdrachten kunnen gunnen aan een selecte groep zorgaanbieders, zonder dat zij schriftelijke aanbiedingen hoeven te vergelijken die zij verkregen hebben op basis van een complexe gunningssystematiek.
Op 19 april 2022 is het voorstel aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 24 mei 2022 als hamerstuk afgedaan. Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, zal de wet in werking treden.
Wat betekent dit voor zorgaanbieders?
Het gevolg van deze wetswijziging is dat het aantal open house procedures mogelijk in de toekomst afneemt en, als gevolg daarvan, dat de groep zorgaanbieders waarmee contracten worden afgesloten steeds minder wordt. Dit betekent dat zorgaanbieders die zorg in natura willen leveren binnen het sociaal domein, kritischer naar aanbestedingen moeten kijken en ervoor moeten zorgen dat zij (structureel) aan de door de gemeente gestelde selectiecriteria en kwaliteitseisen voldoen. Daarnaast moeten zij goed op de hoogte zijn van hun rechten en plichten tijdens aanbestedingsprocedures. Het aanbestedingsrecht is in de praktijk vrij rigide waardoor je als zorgaanbieder makkelijk kan worden uitgesloten. Ook zullen zorgaanbieders als gevolg van een uitsluiting beter op de hoogte moeten zijn van de mogelijkheden zonder contract zorg te leveren. Het leren werken met persoonsgebonden budgetten of het als hoofd- en onderaannemer kunnen leveren van zorg maken daarvan integraal onderdeel uit.
Overig
Voor meer algemene informatie, dus los van een specifieke gemeente, biedt de site van de VNG veel informatie.
Bent u op zoek naar cijfers, kijkt u dan bijv. op www.waarstaatjegemeente.nl of op King (kwaliteitsinstituut Nederlandse gemeenten).